Billeder på siden
PDF
ePub

interclusa anima nimia ab dulcedine aquarum, multaque per populi passim loca prompta viasque languida semanimo cum corpore membra videres horrida paedore et pannis cooperta perire 1270 corporis inluvie, pelli super ossibus una, ulceribus taetris prope iam sordique sepulta. omnia denique sancta deum delubra replerat corporibus mors exanimis, onerataque passim cuncta cadaveribus caelestum templa manebant, 1275 hospitibus loca quae complerant aedituentes. nec iam religio divom nec numina magni

pendebantur. enim praesens dolor exsuperabat. nec mos ille sepulturae remanebat in urbe, quo prius hic populus semper consuerat humari: 1280 perturbatus enim totus trepidabat, et unus

quisque suum pro re praesenti maestus humabat. multaque mors subita et paupertas horrida suasit: namque suos consanguineos aliena rogorum insuper extructa ingenti clamore locabant, 1285 subdebantque faces, multo cum sanguine saepe rixantes potius quam corpora desererentur.

[ocr errors]

uit een Silenenkop (Silenus: begeleider van Bacchus) te voorschijn kwam. 1266. interclusa anima: de ziel afgesneden, d. i. gestikt.—1267.populi loca prompta, openbare plaatsen, pleinen enz. 1268. semanimo vgl. Inven. IV, 37. 1270. pelli super oss. una, spreekwoordelijk als bij ons: slechts vel en been. 1274. caelestum: in proza altijd caelestium, maar dichters gebruiken voor caelestis als subst. dikwijls den genet. zonder i: vgl. Catull. LXIV, 191, 204. manebant: waren; 't begrip van voortduren is daarbij op den achtergrond getreden; evenzoo II, 843. 1275. aedituentes: slechts hier, anders altijd aedituus, beide van aedes en tueor. Daarentegen heeft aeditimus denzelfden uitgang als finitimus, maritimus en andere. - 1277. enim praesens: Lucr. volgt hier Terent. en Plautus, die enim ook als eerste woord in den zin bezigen. 1279. prius schijnt gelezen te moeten worden en niet pius: νόμοι τε πάντες ξυνεταράχθησαν οἷς ἐχρῶντο πρότερον περὶ τὰς ταφὰς, ἔθαπτον δὲ ὡς ἕκαστος ἐδύνατο. 1281. praesenti: dit woord ontbreekt in de handschr.; Lachm. meent dat er compostum gestaan kan hebben, waarbij vgl. III, 871. 1282. horrida behoort bij multaque. 1283. rogorum hangt af van extructa; evenzoo VI, 561: tum supera terram quae sunt extructa domorum. 1284. insuper heeft bij Lucr. den accus. of den ablat.

[ocr errors]

GAIUS VALERIUS CATULLUS.

GEB. 87 V. CHR., IN OF BIJ VERONA, GEST. 54 ONGEVEER.

I.

OPDRACHT.

Door dit vers draagt Catullus een bundeltje poëzie, zeker niet alle gedichten bevattende, die wij thans van hem bezitten, op aan zijnen landsman Cornelius Nepos, den bekenden geschiedschrijver (zie op vs. 6).

Quoi dono lepidum novom libellum
arida modo pumice expolitum?
Corneli, tibi: namque tu solebas
meas esse aliquid putare nugas,

5 iam tum cum ausus es unus Italorum
omne aevum tribus explicare chartis
doctis, Iuppiter, et laboriosis.
quare habe tibi quidquid hoc libelli,
qualecumque, quod, o patrona virgo,
10 plus uno maneat perenne saeclo.

I. Het metrum is de versus phalaceus of hendecasyllabus

--

dono

1. Quoi L. G. § 173 A. 1 geldt ook voor het interrogativum. opdragen. De indic. in plaats van den coni. dubit. werd in de taal van het dagelijksche leven veel gebruikt. lepidum: lepidus kan zoowel op het uiterlijk als op het innerlijke zien, zooals ons aardig. 2. pumice zie bl. 62, 6-8. 4. nugas kleinigheden, met het oog op den kleinen omvang der gedichten in tegenstelling met epische (no. 64) en dramatische. 5. unus Italorum, dus vóór Varro en Atticus, die ook dergelijke werken schreven. 6. chartis vgl. bl. 61, 6-8. charta staat hier voor liber. Nepos schreef chronicon libri tres, waarvan ons zoo goed als niets bekend is. Deze chronica waren een chronologisch overzicht der algemeene geschiedenis. — 8. habe tibi

[ocr errors]

III.

Aan zijne geliefde, die met zijn vroeg gestorven broeder het middelpunt zijner lyrische gedichten uitmaakt, geeft Catullus den naam van Lesbia, ofschoon ze waarschijnlijk Clodia heette. Zij was dan de zuster van den beruchten P. Clodius, bekend uit de redevoeringen van Cicero, en de vrouw van Q. Caelius Metellus Celer, een kortzichtig, heftig en onverzettelijk man, met wien zij een ongelukkig leven doorbracht, tot hij in 59 overleed. Daarna gaf zij zich aan het schandelijkste leven over. Zij was negen jaar ouder dan Catullus. ,,Unter der vornehmeren Jugend Roms war damals ein bedenklicher Ton der Genusssucht und Frivolität eingerissen. Zechen, Buhlen und Schuldenmachen war guter Ton für die jungen Herren, deren Väter schon unter Sulla's nachsichtiger Heerführung mit asiatischem Luxus und Laster vertraut geworden waren." (Ribbeck).

OP DEN DOOD VAN LESBIA'S MUSCH,

Lugete, o Veneres Cupidinesque
et quantum est hominum venustiorum:
passer mortuus est meae puellae,
passer, deliciae meae puellae,

5 quem plus illa oculis suis amabat;
nam mellitus erat suamque norat
ipsam tam bene quam puella matrem;
nec sese a gremio illius movebat,

gewoonlijk is de woordschikking omgekeerd: tibi habe, zooals de handschriften hebben, wat echter van wege de maat niet kan; vgl. de formule bij echtscheiding ,,res tuas tibi habe". quicquid hoc libelli: vgl. Cic. ad fam. II, 8, 3 quom hoc ad te litterarum dedi; Verg. Aen. I, 78 quod cumque hoc regni; Lucr. II 16 degitur hoc aevi quodcumque est. Door deze verbinding van het pron. dem. met den genet. part. wordt aangeduid dat het begrip van het subst. niet in vollen zin wordt genomen. 9. qualecumque quod d. i. quod maneat, qualecumque est, vgl. LXIV, 216; LXXVI, 9. o patrona virgo, van wien de patrones, van den dichter of van zijn boek? In het eerste geval is de patrona de muze, in het andere Minerva, wier buste in bibliotheken geplaatst werd, zie Iuven. III, 219.

III. 't Metrum van dit zeer beroemde liedje is hetzelfde als van het voorgaande.

1. Veneres Cupidinesque: de dichter gebruikt het meervoud, omdat hij niet alleen Venus bedoelt, zonder wie ,,neque fit laetum neque amabile quicquam" (Lucr. I, 23), maar alle goden en godinnen (Xάoites en "Eowres) die liefhebben wat schoon is. 2. venustiorum, gezegd met het oog op de Veneres van vs. 1. „,qui vel paululum venustatis sensu sunt imbuti." 7. ipsam: ipse beteekent dikwijls meester, ipsa

set circumsiliens modo huc modo illuc
10 ad solam dominam usque pipiabat.
qui nunc it per iter tenebricosum
illuc, unde negant redire quemquam.
at vobis male sit, malae tenebrae
Orci, quae omnia bella devoratis:
15 tam bellum mihi passerem abstulistis.
o factum male! io miselle passer,
tua nunc opera meae puellae
flendo turgiduli rubent ocelli.

IV.

In 't gevolg van den propraetor C. Memmius (zie blz. 2, 26) was Catullus in de lente van 57 naar Bithynië gegaan. In de lente van het daarop volgende jaar keerde hij terug op zijn jacht, dat te Amastris (vs. 13) gebouwd was. Het ligt nu, aan de Dioscuren (vs. 27) gewijd, in het Garda-meer, bij het schiereiland Sirmio, waar Catullus eene villa had. (Tegenwoordig wijst de gids den reiziger, die het Garda-meer (lacus Benacus) bezoekt, nog de zoogenaamde villa van Catullus). De dichter wijst aan reizigers of gasten zijn jacht en verhaalt zijn lotgevallen, van de tegenwoordige ligplaats terug gaande langs den weg dien het schip heeft afgelegd tot de plaats, waar de boomen stonden, waaruit het gebouwd is.

Phasellus ille, quem videtis, hospites,
ait fuisse navium celerrimus,
neque ullius natantis impetum trabis
nequisse praeterire, sive palmulis

5 opus foret volare sive linteo.

et hoc negat minacis Adriatici
negare litus insulasve Cycladas

[ocr errors]

meesteres. 10. ad, gewend naar. usque, voortdurend. pipiabat, piepte, tjilpte. Het eigenlijke geluid der musschen werd in 't Latijn uitgedrukt door titiare. II. iter tenebricosum, Axέoovτos ôdós. Dat de ouden inderdaad meenden, dat ook de dieren afdaalden in de onderwereld,, blijkt uit Ovid. am. II, 6, 51. 17. tua opera door uw toedoen, om uwentwege. 18. ocelli, Clodia werd Вошлiç genoemd door Cicero.

IV. Metrum: een zuivere iambische trimeter

1. Phasellus, een licht, snelzeilend vaartuig, zoo genoemd wegens zijne overeenkomst in den vorm met een snij- of pronkboon, pάonios, phasellus. 2. Ongewone constr. voor: ait se fuisse avium celerrimam,

Rhodumque nobilem horridamque Thraciam
Propontida trucemve Ponticum sinum,
10 ubi iste post phasellus antea fuit
comata silva: nam Cytorio in iugo
loquente saepe sibilum edidit coma.
Amastri Pontica et Cytore buxifer,
tibi haec fuisse et esse cognitissima
15 ait phasellus: ultima ex origine
tuo stetisse dicit in cacumine,
tuo imbuisse palmulas in aequore,
et inde tot per impotentia freta
erum tulisse, laeva sive dextera
20 citaret aura, sive utrumque Iupiter
simul secundus incidisset in pedem;
neque ulla vota litoralibus deis

sibi esse facta, cum veniret a marei
novissimo hunc ad usque limpidum lacum.
25 sed haec prius fuere: nunc recondita
senet quiete seque dedicat tibi,
gemelle Castor et gemelle Castoris.

---

in navolging van 't Grieksch. - 8. Thraciam, adi. bij Propontida. — II. comata: coma = frons, dus: frondosa; Horat. Od. I, 21, 5 nemorum coma. De Cytōrus mons (of Cytorii montes) lag in Paphlagonia bij de gelijknamige stad en was rijk begroeid met buksboomen, een plantengeslacht met altijd groene bladeren en verwant met de groene palmstruik uit onze tuinen. 13. Amastris, eene Paphlagonische zeestad. 18. impotentia: die zich zelven niet bedwingen kunneǹ, woedend. 19. erum of herum moet wel op Catullus zelf slaan, anders heeft het geheele gedichtje weinig zin. 20. citaret, in beweging zette; codd. vocaret, wat niet goed kan zijn, ook niet in den zin van zich aanbieden, zoo die bestond. Vgl. Senec. Phaedra 1049 citatas.. rates. Iupiter (zóó de codd.), d. i. ventus. Ennius: Iuppiter.. qui ventus est. et nubes, imber postea. 21. utrumque in pedem: pedes zijn de touwen, waarmede de uiteinden van het zeil werden aangehaald, de schooten. Vgl. pede aequo Ovid. Fast. III, 565. 22. litoralibus deis, als Phorcus, Glaucus, Proteus, Triton enz., wier tempels of beelden aan het strand stonden; zoo ook Castor en Pollux, vs. 27. — 24. ad usque, ook adusque geschreven (Ov. fast. 3. 125), komt hier voor het eerst voor, waarschijnlijk overgenomen uit de volkstaal. - 26. senet: senere, oud zijn, waarvan het inchoat. senescere, komt, behalve op deze plaats, alleen bij zeer oude schrijvers voor: Pacuvius 275, 304. 27. Castor en Pollux, de beschermers der zeevaarders, waren als tweelingbroeders zoo nauw verbonden, dat ,,ambo licenter et Castores et Polluces vocantur."

« ForrigeFortsæt »